6.3.1 Dihybride kruisingen

Bij een dihybride kruisingen kijken we naar twee kenmerken van twee verschillende genen. Ook hierbij kan sprake zijn van volledige of partiële dominantie.

Volledige dominantie

Als voorbeeld nemen we erwten. Deze kunnen in twee kleuren voorkomen (geel en groen), en twee vormen (rond en hoekig). Voor kleur nemen we de letter A, voor vorm B.

A = geel

a = groen

B = rond

b = hoekig

We kruizen twee planten met gele, ronde erwten. Beiden zijn heterozygoot.

P1: AaBb x AaBb

Om de fenotypen en genotypen te bepalen, maken we een kruisingsschema: Deze bevat nu geen 4, maar 16 lege vlakken. Op elk vlak noteren we een mogelijke combinatie van allelen in de eicellen en zaadcellen.

AB Ab aB ab
AB AABB AABb AaBB AaBb
Ab AABb AAbb AaBb Aabb
aB AaBB AaBb aaBB aaBb
ab AaBb Aabb aaBb aabb

Uit dit kruisingsschema zijn nu de fenotypes van de nakomelingen af te leiden:

  • Geel Rond (alle nakomelingen met A en B): 9/16
  • Geel hoekig (alle nakomelingen met A en bb): 3/16
  • Groen rond (alle nakomelingen met aa en B): 3/16
  • Groen hoekig (alleen aabb): 1/16

Verhouding van de fenotypen: 9:3:3:1. Dit is een typische verhouding voor een dihybride kruising.

Het is echter nogal veel werk om steeds zo’n groot schema in te vullen. Er is een makkelijkere manier: vul voor elke eigenschap een apart schema in en vermenigvuldig de kansen met elkaar.

Voor de hiervoor beschreven heterozygote kruising:

Voor kleur:                        Voor vorm:

Kans op:

  • Geel Rond (alle nakomelingen met A en B): 3/4 x 3/4 = 9/16
  • Geel hoekig (alle nakomelingen met A en bb): 3/4 x 1/4 = 3/16
  • Groen rond (alle nakomelingen met aa en B): 1/4 x 3/4 = 3/16
  • Groen hoekig (alleen aabb): 1/4 x 1/4 = 1/16