2.3.1 Transport over celmembraan – bouw van celmembraan

De celmembraan (of eenheidsmembraan) is de buitenrand van de dierlijke cel. Ook plantencellen hebben een celmembraan, met daaromheen nog een celwand.  De celmembraan kan selectief stoffen doorlaten. In deze paragraaf bespreken we eerst de bouw van die membraan. Daarna bekijken we hoe stoffen de celmembraan kunnen passeren.

Bouw van de celmembraan

De celmembraan

De celmembraan bestaat uit een dubbele fosfolipidenlaag (vetrijk) (zie afbeelding). Fosfolipiden zijn vetachtige stoffen, met een hydrofiele (wateraantrekkende) kop en een hydrofobe (waterafstotende) staart. De hydrofobe staarten richten zich naar elkaar toe, waardoor een laag vet ontstaat waar water niet doorheen kan. Dit vormt geen statisch geheel, maar is flexibel, zoals de wand van een zeepbel flexibel is. Cholesterol stabiliseert het membraan. Uit de celmembraan steken suikers en vetten die een functie hebben als signaalmolecuul (glycoproteïnen en glycolipiden). Ook bevat de celmembraan eiwitten, voor verschillende doeleinden: receptoreiwitten die signalen uit de omgeving opvangen (glycoproteïnen) en kanaaleiwitten, die een rol spelen bij het transport van stoffen door de celmembraan. Tot slot bevat de celmembraan suikers (polysachariden) die belangrijk zijn in herkenning van de cel en auto-immuniteit.