4.2.1 Bouw DNA

DNA bestaat uit twee ketens van afwisseling fosfaat en suiker, met daartussen vier typen nucleïnebasen, die met waterstofbruggen met elkaar zijn verbonden

DNA (deoxynucleïnezuur) bestaat uit drie delen: Een deoxyribose (pentose-suiker), een fosforzuur en een nucleïnebase (zie afbeelding hiernaast). Er zijn vier typen nucleïnebasen, namelijk adenine, guanine, cytosine of thymine. Deze stikstofhoudende basen zijn negatief geladen.

De basen adenine en thymine kunnen onderling twee waterbruggen vormen en zo elkaar aantrekken. Datzelfde geldt voor cytosine en guanine, die vormen twee waterstofbruggen. Zo ontstaan twee ketens DNA tegen elkaar aan, die een dubbele helixvorm vormen.

 Verder kunnen we de nucleobasen indelen in de purines en de pyrimidines. Adenine en guanine vallen onder de purines. Thymine, cytosine en uracil (bij RNA) vallen onder de pyrimidines (zie afbeelding hieronder).

DNA bevat Deoxyribose, RNA bevat ribose.

Een nucleotide is een monomeer, bestaande uit één suiker, één fosfaatgroep en één stikstofhoudende base. Zonder de fosfaatgroep spreken we van een nucleoside.

Een nucleotide is een fosfaatgroep, suikergroep en base, een bouwsteentje van het DNA. Als we de fosfaatgroep weglaten, spreken we van een nucleoside.

Het totale menselijk genoom bestaat ongeveer uit 3 miljard basenparen met ruwweg 100.000 menselijke genen. Ter vergelijking: stel dat op een bladzijde 3000 letters kunnen dan is het menselijk genoom een boek van 1 miljoen bladzijden. Al deze informatie is opgeslagen in de chromosomen.